‘Hoe was het op school?’

Tijdloos zijn ze, die gesprekken over de dag. Iedereen herinnert zich nog wel dé vraag van vader, moeder of ander groot mens. Met standaard antwoord: ‘goed’. Want weet jij veel? Er is zóveel gebeurd en dan moet je alles in één keer maar reproduceren?

Begrijpelijkerwijs wil je als ouder weten wat je kind zo’n hele dag ‘uitspookt’. Hoe peuter je die informatie bij hem los, zonder te overvragen? Nou, bijvoorbeeld zo.

‘Hoe was het op school?’

‘Goed.’

‘Heb je nog in de kring gezeten?’

‘Ja.’

‘Oh leuk. Naast wie zat je?’

‘Weet ik niet meer.’

‘Hm. Wat vertelde de juf in de kring?’

‘Weet ik niet meer!’

‘Oh nou ja, weet je nog wel welk liedje jullie…’

‘Mem! Je moet stoppen met praten!’

Ben ik hem nou echt aan het overvragen? Ja, letterlijk dus.

Tja, bij het nalezen van bovenstaande interrogatie begrijp ik Hylkes ergernis wel. Als ik thuis kom van een dag werken wil ik ook alle gebeurtenissen even laten bezinken. Elk mens is een ander soort ‘communicator’ met zijn eigen gebruiksaanwijzing. De één wil direct alles vertellen, de ander laat brokjes ervaringen los wanneer hij er zelf aan toe is.

Vragen zijn verrekte handig – en soms noodzakelijk – om informatie van de ander los te peuteren. Maar een teveel aan vragen kan enorm belemmeren.

Ineens denk ik aan een meisje dat logopedie krijgt in mijn praktijk. Samen met haar ouders help ik haar om zich duidelijk te maken. Of dat nou met woorden is, met wijzen of met expressie.

Onbedoeld vuurt de moeder van het meisje een stel vragen op haar af.

‘Waar is de lepel?’

‘Hoe heet dit?’

‘Welke kleur heeft de appel?’

Na een paar haperende, korte antwoorden slaat het meisje volledig dicht.

Na een aanwijzing wacht de moeder met praten tot het meisje zélf initiatief neemt. Met als gevolg een verschil van dag en nacht. Kind communiceert, moeder luistert en reageert. Een gesprek op gelijk niveau.

Terug naar Hylke. Als ik na ons zoveelste naschoolse evaluatiegesprek in de gaten krijg wat voor pain-in-the-ass ik ben, besluit ik het over een andere boeg te gooien.

Mem: ‘Zo, dat zag er lekker uit zeg, dat worstenbroodje.’

Hylke: ‘Ja hè, jij was wel een beetje jaloers!’

Mem: ‘Absoluut. Oh en ik was ook wel jaloers op die jongen in jouw klas. Die had een mooie beker en een zwemdiploma!’

Hylke: ‘Oooh dat was zó’n mooie beker… Die is van Max.’

Mem: ‘Ah. Max heeft vast verteld hoe hij die beker had gekregen.’

Hylke: ‘Van z’n oma.’

Toegegeven, dit herformuleren kost aardig wat denkwerk. Maar hoe verloopt het gesprek vervolgens? Ik kan alleen maar zeggen: ‘goed’.

‘Ik ben de broer van Brecht. Als ik de zus van Brecht zou zijn, dan was Brecht de broer van mij.’​

Het zijn van die onverwachte kinderhersenspinsels die ons ouders doen beseffen: hij is bijna vier en klaar voor school. En alsof kinderen het weten rijmen ze dan ineens dat het een lieve lust is en wordt er ogenschijnlijk vanuit het niets geweldig geknutseld met taal. Is dat nou toevallig? Nee hoor. Sterker nog: het is niet voor niets dat peuters juist nu toe zijn aan een volgende stap.

Om de laatste martelende meters van onze kerstwandeling door te komen, hebben we een spel bedacht: rijmwoorden zoeken. Sinds een paar weken heeft Hylke de smaak te pakken. Hij merkt uit zichzelf op wanneer woorden rijmen.

En al klopt het soms niet (‘Scheen… Veer… Hee! Dat rijmt!’ Eh… nee.), hij kan vaak vanuit het niets de mooiste rijmwoorden roepen.

‘Knakworst!’ klonk het laatst trefzeker uit Hylkes kamer na het opvangen van het woord ‘Staphorst’. Een (onbedoeld?) ingenieus staaltje dichtkunst.

Nog een halve kilometer te gaan, dus we gooien er nog maar eens een woord in.

‘Wat rijmt er op goed?’

‘Hoed!’

‘En op want?’

‘Hand!’

‘Ja! En op… boot?’

‘Hoot!’ Tja, ik merk maar weer eens dat de ‘H van Hylke’ flink is vertegenwoordigd.

Alsof hij zichzelf voorbereidt op zijn naderende start op de basisschool, speelt Hylke non-stop met taal. Komt mooi uit dus dat juist rond de tijd dat kinderen vier jaar worden het metalinguïstisch bewustzijn de kop opsteekt. Ze doen, anders gezegd, ontdekkingen over taal.

Ik zie het graag zo voor me: een kind zweeft op ontdekkingstocht boven een brei aan woorden. En ontdekt daarin spelenderwijs verbanden of verschillen.

Het één heeft natuurlijk met het ander te maken. Hylkes belevingswereld wordt groter: hij speelt meer samen met leeftijdsgenoten en ontwikkelt interesses. Daar komt bij dat hij zich steeds beter kan inleven in anderen (boos, druk, jaloers). Hij ziet verschillen en overeenkomsten (gevaarlijk – ongevaarlijk, ver weg – dichtbij, aardig – stom) en krijgt bovendien meer besef van tijd (gisteren, straks, volgend jaar). Dit bewustzijn van mensen, dingen en gebeurtenissen moet worden uitgedrukt in taal. En die taal wordt almaar abstracter.

Je kan Hylke soms bijna letterlijk vanuit een helikoptertje naar een situatie zien kijken.

Zo hoorden we laatst vanaf de achterbank in de auto deze overpeinzing: ‘Ik ben de broer van Brecht. Als ik de zus van Brecht zou zijn, dan was Brecht de broer van mij.’

Het begint ons te dagen dat de peuter hier eindigt en de kleuter begint.

Over rijmwoorden gesproken. ‘Hij is er echt aan toe,’ hoor je ouders vaak verzuchten over hun bijna-basisschoolkinderen. Nou, dat kan wel eens kloppen.

Zonder kleerscheuren eindigen we de kerstwandeling bij het huis van opa en oma. ‘Ik heb trek,’ zegt Hylke. ‘Met de T van Takkie.’


Bronnen bij deze column: Expertisecentrum Nederlands en De taalontwikkeling van het kind, A.M. Schaerlaekens (maart 2016)

De avonturen van Pakot en Zorijn

Haaspaas, takboom, Monsterkoekje, salagne… Onze kleine taalkunstenaars husselen woorden en klanken tot de mooiste creaties ontstaan. Hoe komt dat toch? Een verklaring van dit fenomeen aan de hand van twee hardnekkige omdraaiwoorden uit Hylkes repertoire.

Veel ouders zuchten weemoedig als ik zeg dat Hylke met zijn drie-en-een-half jaar nog slaapt tussen de middag. Steeds korter weliswaar, maar hij heeft het echt nodig. Bijvoorbeeld om hem in een vrolijke bui het einde van de dag te laten halen.

Na het slapen drinken we standaard een kopje thee met ‘iets erbij’.

‘Mag ik zorijntjes?’ vraagt Hylke met volle overtuiging.

Ik pak een doosje uit de pot. Ik hoor het al niet eens meer. Sinds rozijntjes in zijn productieve woordenschat is opgenomen, draait Hylke consequent de eerste klanken van de lettergrepen om. En echt alleen bij dit woord. Onee wacht…

 

‘Mèhèèèm, ’t doosje is pakot, mag ik een nieuwe?’

Pakot en Zorijn. Twee essentiële woorden in de kindertaal. Op de lijst van verantwoord snoep staat de rozijn immers al jaren op nummer één en, tja, rondom een dreumes of peuter gaat er nog al eens iets kapot.

Waarom, waarom worden de klanken in juist déze woorden omgedraaid?

Het zit ‘m vast in de klemtoon. Die ligt bij kaPOT en roZIJN op de laatste lettergreep. De eerste woorden die kinderen zeggen zijn vaak één-lettergrepige woorden. Al gauw volgen woorden met twee lettergrepen.

Kinderen hebben een zekere voorkeur voor een klemtoon op de eerste lettergreep – BOEKje, ZEbra, BAby, DRINken – want die hoor je in het Nederlands verreweg het meest.

Wat betekent dat voor woorden met een klemtoon op de laatste lettergreep? KoNIJN, paTAT, kaPOT, roZIJN. Die worden ingekort. Nijn, tat, pot, zijn. Vaak zetten jonge kinderen er ook nog een extra lettergreep achteraan, zodat het weer ‘klopt’: nijnie, tatte, potte, zijne.

De klemtoon verklaart Pakot en Zorijn niet volledig, want andere woorden met een klemtoon op de tweede lettergreep (parDON, geZEUR, beLEG) gaan goed. En waarom draait Hylke de klanken om? Misschien vindt hij de volgorde P-K van Pakot makkelijker uit te spreken dan K-P van kapot. In combinatie met die klemtoon. En zo ook de Z-R van Zorijn.

Is er dan geen enkel ander woord dat ook verdraaid wordt, precies op dezelfde manier? De goedheiligman geeft het antwoord. Hoewel deze nog een kleine twee weken op z’n stoomboot doorbrengt, staan bij ons de 5 decemberhits al op één, inclusief… Sinterklaas Pakoentje.


Bronnen bij deze column: http://taalexpert.nl/fonologie

Klankproductieproblemen, een fonologische benadering. Artikel van M. Beers in Stem-, Spraak- en Taalpathologie, vol.11, nr.4 (2003)

Kinderfonologie, de verwerving van klemtoon. Proefschrift van P. Fikkert (1996)

Let it B

Hoera, de eerste woordjes zijn een feit! Elke dag lijken er nieuwe bij te komen. Erg gevarieerd in uitspraak zijn de woorden nog niet. Welke klanken gebruiken kinderen in dit eerste stadium? En waarom nou juist deze?

‘Beebieie!’ Brecht sleurt haar pop aan een been naar het andere eind van de kamer.

‘Poep!’ constateert ze wanneer de luier af gaat.

Ze wijst naar een doekje. ‘Bappe.’ Pakken.

IJverig veegt ze de billen van de baby schoon. Ze legt de pop nog net niet zelf in de poppenwagen, maar als ik zeg ‘zo, de baby gaat slapen…’ bevestigt Brecht het onmiddellijk: ‘baapûh’. Ze maakt het gebaar met de hand naast het gezicht.

Het resultaat van drie volle dagen per week op een babygroep.

Beebie, poep, bappe, baapûh… Wat is van deze eerste woordjes de gemene deler?

Allemaal bevatten ze medeklinkers die met de lippen worden gemaakt, de zogenoemde (bi) labiale klanken. B. P. Een korte klank, als een zacht plofje. Voorin de mond. Eerste woordjes of betekenisvolle brabbels zullen meestal gemaakt zijn van zo’n plofklank, in combinatie met een A.

Niet lang daarna volgt de M, en dan de T. Of klanken met gelijke kenmerken. Overspoeld met het Sinterklaasjournaal heeft Brecht nu Piet en Hi-taase in haar repertoire. En rond zessen wordt luidkeels ‘ee-te, ee-te!’ gescandeerd. Steeds meer T’s dus.

Voilà! Technisch gezien kan papa dus eerder worden uitgesproken dan mama.

Ho, wacht! Voordat alle papa’s zich op de borst kloppen, twee kanttekeningen. Eén: er zijn uitzonderingen. Twee: baby’s kunnen mama bedoelen maar papa zeggen. Omdat ze in hun verwervingsproces nog bij de P zijn blijven ‘steken’.

Brecht bewandelt -als halve Friezin – met heit en mem een iets andere weg.

Waar ze maanden geleden toevallig het woordje mem liet vallen en ik mijn vlag al had geplant, verdween het net zo snel als het gekomen was.

Nu is het heit voor en heit na.

Ik heb lang gedacht dat baby’s beginnen met labialen B, P, M omdat die klanken nou eenmaal goed te zien zijn bij mensen die boven hun wieg hangen. Maar blinde baby’s dan? Beginnen die met andere woordjes? Nee. Blinde baby’s praten vaak later, maar ze léren praten volgens dezelfde stappen als baby’s die zien.

Sterker nog, alle baby’s ter wereld doorlopen dezelfde stappen bij het verwerven van de eerste klanken.

Waarschijnlijk komen de lipklanken voort uit het oefenen met de mond en met geluiden. Babawatataba… Zoals bij de allereerste brabbels. En bij de eerste woorden komen al die B’s, P’s en T’s weer langs, alleen dan gestructureerd.

Het zal Brecht allemaal een worst wezen. Zolang ze maar begrepen wordt. En als dat met woorden niet lukt, kan ze altijd nog terugvallen op haar temperamentvolle karakter:

‘Ee-te!!’


Bronnen bij deze column:

Klankproductieproblemen, een fonologische benadering. Artikel van M. Beers in Stem-, Spraak- en Taalpathologie, vol.11, nr.4 (2003)

De taalontwikkeling van het kind, A.M. Schaerlaekens (maart 2016)

https://www.degruyter.com/downloadpdf/j/plc.2011.15.issue-1/v10057-011-0002-4/v10057-011-0002-4.pdf

Eigenwijswoorden

Hoe komt het toch dat kinderen zo eigenwijs kunnen klinken? Waarom lijken ze als ze praten vaak ouder dan ze zijn? Ik ben ervan overtuigd dat één van de meest onderschatte aspecten van de Nederlandse taal daar een grote rol in speelt: het bijwoord.

Een doordeweekse dag, rond zessen ‘s avonds. Ik leg de laatste hand aan een voedzame maaltijd. Af en toe strijkt Hylke als een aasgier in de keuken neer om te controleren of er wel iets naar zijn smaak gebrouwen wordt.

‘Wat eten we trouwens?’

‘Pastasalade!’ brul ik boven het gezoem van de afzuigkap uit.

‘Ik wil liever een boterham met honing.’

Bijdehante snotneus, denk ik. Maar eigenlijk moet ik wel lachen om die wijze opmerkingen.

Het zit ‘m in die woordjes ‘trouwens’ en ‘liever’. Ze maken de kindertaal ouder, volwassen. Deze bijwoorden, in alle soorten en maten, sluipen langzaam maar zeker in Hylkes zinsconstructies.

In de leeftijd tussen 1 en 2 jaar vallen ze nog nauwelijks op. Dan is elk woordje mooi meegenomen.

Op’ (Het eten is op, we lopen op de stoep), ‘Mem niet’ (Mem mag niet helpen), ‘Mia nee’ (Mia heeft geen drinken).

Wat een prachtig fenomeen eigenlijk, dat bijwoord. Die benaming klinkt haast onderdanig. Alsof het woord er maar zo’n beetje bij staat, als een loser naast de gewichtige woorden in een zin.

Wat mij betreft vormen werkwoorden en zelfstandig naamwoorden de basisingrediënten. Maar bijwoorden zijn de smaak.

Vanaf 2 jaar volgt het uitproberen. Hylke pakt een bijwoord om zijn uitspraak meer schwung te geven. ‘Wat is dat eigenlijk?’ Soms pakt hij nét het verkeerde: ‘Ik heb toevallig een muts op,’ merkt hij op wanneer het stervenskoud is. Of er volgt een eigen bedenksel: ‘Het raam is dik open’.

Inmiddels, met 3 jaar, zijn de bijwoorden niet meer weg te slaan en oreert Hylke er lustig op los. Vooral aan tafel, op zijn troon, bij een bord pastasalade.

‘Hoe was ’t op het kinderdagverblijf?’

‘Oh, goed.’ Ja, dat begint dus nu al. Ik zei dat pas toen ik 10, 11 jaar was.

‘Je had ’t warm hè,’ help ik hem.

‘Hmm hmm,’ en nou komt ie los. ‘Ik had het zóveel minder warm, dat ik mijn vest maar even heb uitgedaan.’

Dat woordje minder is overigens een nieuwe trend. Hylke zet het nu bij álle vergrotende-trapsituaties in, ook wanneer je meer zou verwachten. Maar ondertussen heeft hij in de gaten dat er gradaties zijn in hoe je je kan voelen of in wat je doet.

Ik realiseer me ineens hoe opvallend onopvallend bijwoorden zijn. Bijwoorden verdienen meer credits. Ze nuanceren. Ze geven aan dat kinderen de wereld om hen heen gaan snappen.

Een bijwoord geeft wijsheid. Eigenwijsheid.

Bron bij deze column: https://onzetaal.nl/taaladvies/bijwoord

Peuterpubers met een pesthumeur

‘Twee is nee’, die uitspraak kennen we allemaal. Maar voor driejarigen bestaat er helemaal geen leus. Terwijl juist zíj je het bloed onder nagels vandaan kunnen halen. Peuters met een pesthumeur, het is om wanhopig van te worden. En toch, als je er puf voor hebt, leveren ze ook mooie taalfenomenen op…

Hylke is op de kop af drie- en-een-half en daarmee lijkt de eigenwijze kont-tegen-de-kribfase zijn hoogtepunt te hebben bereikt. Tot nu toe dan. Onze omgeving waarschuwde ons er meermaals voor wanneer 2-jarige Hylke een onschuldig driftbuitje beleefde.

‘Wacht maar tot hij drie is.’

En inderdaad, het ontdekken der grenzen is aangebroken. De grens van ons geduld met name. Grenzen vind ik nog altijd een vaag begrip, omdat ikzelf nooit erg de neiging heb gehad ze op te zoeken. Maar dat terzijde. Een impressie van een doordeweekse conversatie aan tafel:

(Hylke gooit zijn vork op de grond.)

Ik: Hylke, raap je vork maar op.

Hylke: NEE.

Ik: Ja. Raap je vork maar op en leg ‘m op tafel.

Hylke: Maar ik WIL geen SPERzieBO-NEN!

Ik: Je vindt sperziebonen altijd lekker.

Hylke: NEE. Ik VIND sperziebonen NIET. LEK. KER!

Dit loopt natuurlijk uit de hand. Hylke boos. Heit en mem boos. Vork in Brechts haar. Hylke op de gang.

Als je dan toch iets komisch wilt ontdekken in deze situatie, dan is het Hylkes manier van praten. Hij benadrukt woorden. Met klem.

De prosodie of melodie van taal voelen kinderen heel vroeg aan, zelfs al in de baarmoeder. Ongeveer een half jaar na de geboorte onderscheiden baby’s ook de woorden binnen een zin.

Ze ontdekken de woordgrenzen, zullen we maar zeggen. Klemtoon is daarbij essentieel.

Zodra het brabbelen los gaat, klinkt de intonatie van de thuistaal of -talen duidelijk door. En bij de eerste woordjes en zinnetjes benadrukt een kind al de belangrijkste woorden.

Toen Hylke de leeftijd van twee naderde, liet hij door klemtoon merken wat hij met zijn lege rozijnendoosje wilde: ‘Boeboebak IEN’ oftewel ‘Het moet IN de prullenbak’. Ook Brecht (1) benadrukt nu brabbellettergrepen, om de brabbels meer betekenis te geven. ‘TAAAAta… TataTAU!’ roept ze onderaan de trap. Wat zoiets betekent als ‘HYYYYLke… Kom eens HIER!’

Tijdens de boze buien valt het me pas echt op: Hylke kan, door accent op woorden te leggen, het belang en de inhoud van zijn uitspraak aangeven. Hij lijkt er zelfs mee te spélen.

Het bedritueel: de grootst mogelijke grens.

Ik WIL niet dat het donker is.

Ik wil NIET dat het DONker is.

Ik WIL NIET dat het DON-KER IS.

IK. WIL. NIET. DAT. HET. DON. KER. IS.

Bereikt hij wat hij zegt? Nee. Maar de boodschap is HEEL duidelijk. Het antwoord ook.

HYLKE. SLAPEN. NU.

Bronnen bij deze column: https://onzetaal.nl/taaladvies/klemtoonteken-nadrukteken/

https://www.kinderneuropsychologie.org/encyclopedie/taalpragmatiek

Rhythm & Cues. Rhythmic structure and segmentation in early language acquisition, proefschift B.M. Keij (2017)

‘Ga maar zwaaien!’

En dan is daar eindelijk een gebaar dat je herkent: de baby zwaait en jij weet wat ze bedoelt! Nu is het communiceren écht begonnen! Dat trucje moet ze natuurlijk nog eens laten zien. En nog eens. En nóg eens. Maar wat vindt die baby daar zelf nu eigenlijk van? 

Sinds een paar maanden staat de zwaaiknop aan bij Brecht. Er zijn al verschillende varianten langsgekomen. Het verticale-aszwaaien, als een deftige koningin. Op-en-neerzwaaien, alsof de hand een buiging maakt. En gewoon heen-en-weerzwaaien natuurlijk.

Inmiddels heeft Brecht een duidelijk ‘dà!’ aan de handbeweging gekoppeld.

Maar in den beginne was daar slechts het gebaar: het zwaaien.

Sindsdien wuift ze koninklijk naar alles en iedereen.

Ik graaf wat in mijn geheugen en kan me geen andere gebaren bedenken die Brecht zo duidelijk tentoonspreidt. Ik kan me zelfs geen enkel kind in mijn naaste omgeving bedenken dat andere gebaren eerder beheerste dan zwaaien.

Na wat googelen lees ik de volgende zin: vanaf een maand of 8 gaat de baby opzettelijk communiceren. Hoewel dit klinkt als de baby laat opzettelijk haar moeder struikelenbetekent het wel degelijk iets positiefs. Dus Brecht communiceert niet meer alleen vanuit een reflex, zoals pasgeboren baby’s huilen als ze moe zijn of honger hebben.

Ze communiceert nu bewust, wetend dat ze iets gedaan kan krijgen. Of als reactie op wat ze hoort en ziet in haar omgeving.

Na deze ‘ontdekking’ bekeek ik de begroetings- en afscheidsrituelen vanuit Brechts perspectief. Ze moet echt GEK geworden zijn van de zin ga maar zwaaien. Zo gaat het bijvoorbeeld op de crèche:

Ik, namens Brecht, naar leidster: ‘Dááág!’

Leidster: ‘Dááág, Brecht, dá-hááág!’

Brecht: …

Ik: ‘Dááág! Ga maar zwaaien. Zo ja. Zwaaien. Dááág!’

Brecht zwaait, enigszins vertwijfeld.

Leidster en ik: ‘Jaaaaaa, ga maar zwaaien… dá-hááág!’

Op weg naar huis hangt Brecht vermoeid over het stuur. Niet zo vreemd: het kwartje zwaaien is bij haar al veel eerder gevallen.

Ik voel me bijna schuldig dat ik haar maandenlang heb geterroriseerd met mijn gezwaai.

Tegelijk is al dat herhalen ook de reden dat ze het nu kán. Kinderen leggen verbanden tussen gebaren, woorden en handelingen. Bij schouders ophalen (waar?) is er iets kwijt. En als je wijst (daar!), kan de ander iets vinden. Loop je de deur uit? Ga maar zwaaien.

Hoe goedbedoeld ook, wij blijven ze overspoelen met woorden die ze allang hebben opgeslagen. Is dat erg? Valt ook wel weer mee. Brecht zal zich over een tijdje niet meer mijn overdreven gezwaai herinneren. De woorden, die bij het gebaar horen, díe beklijven.

De input is geleverd en ziedaar: het praten kan beginnen.

Al jarenlang duikt Jente Timmer bijna dagelijks in een bak vol gevarieerde kindertaal, als logopedist. Inmiddels scharrelen thuis haar eigen onderzoeksobjecten rond: Hylke en Brecht, die Fries- en Nederlandstalig worden opgevoed.

Iedere twee weken neemt Jente een curieus verschijnsel uit de kindertaal onder de loep. Ervaringen, vragen of suggesties: jente@meertaalpraktijk.nl

Bron bij deze column: www.kindentaal.nl

Waarom? Waarom?! Waarom?!!!!

Het zal ouders van peuters maar al te bekend voorkomen: de waarom-fase. Ze drijven ons tot het uiterste; we pulken de antwoorden uit de verste hoekjes van ons brein. Waarom wordt dit soms zo ergerlijke woord vaak gebruikt? En hoe goed of fout is daarom?

Jammer dat het altijd uit het niets komt opduiken. Je kunt je er niet op voorbereiden. Laatst weer. We lopen in de stralende zon naar de bakker, Hylke op de loopfiets, Brecht in de wandelwagen. Iedereen heeft goede zin.

‘Jaaaa, de bakker is open!’ roep ik bij het ontwaren van de winkel. Wat natuurlijk nergens op slaat, want dat wisten we allemaal al. Misschien ging het hier al wel mis.

‘W’rom?’ Daar is ie. Waarom. Hylke stelt deze vraag zo vaak dat hij het teveel moeite vindt het héle woord uit te spreken. Wrom, wrommm… het lijkt een startende motor.  Startend ja, want er komt nog veel meer.

‘Nou…’ Met mijn antwoord kan ik meerdere wegen inslaan. Ik kies deze: ‘Omdat hij dan brood kan verkopen aan mensen.’

‘W’rom?’

‘Omdat mensen brood willen eten.’

‘W’rom?’ Het wordt nu spannend.

‘Tja… Omdat ze brood lekker vinden.’

‘Maar: WÁÁRom?’ Oef. Standaard probeer ik deze fase in het waaromgesprek te vermijden. Maar nu komt het erop neer dat meneer niet tevreden is met de antwoorden die hij krijgt.

De ontknoping nadert. Wie wint?

‘EHMMMM.’ Een lange pauze volgt. Een verwachtingsvolle blik van Hylke. Erg uitdagend ook, vind ik. Alsof hij wil zeggen: ‘Eens kijken of je nú nog met een bevredigende verklaring kan komen, mem.’

Wat volgt, is het minst inspirerende antwoord ooit.

‘Dáárom,’ verzucht ik, uiterst teleurgesteld in de creatieve mogelijkheden van mijn brein.

Opvallend, en enigszins ergerlijk, is de routine waarmee dit waaromgedrocht wordt ingezet. Als Hylke nu kwijlend van interesse mijn natuurkundige, existentiële antwoorden zou opslurpen, ging ik met alle liefde deze competitie aan. Maar waarom lijkt een geautomatiseerd mechanisme, dat pas stopt na ultieme voldoening.

Gelukkig weten we dat het waarommen – meestal – niet bedoeld is als pestgedrag, maar als leerproces. Peuters leren gedachten om te zetten in vragen. Ze vergaren steeds meer kennis van de wereld om hen heen door de antwoorden die ze krijgen. Niet van daarom, natuurlijk, al kan dat soms niet anders. Bij een routinematig, ongeïnteresseerd waarom is het juíst goed de eindeloze vraagstroom te onderbreken. Het aandacht vragen bij ouders staat dan boven kennisverrijking.

Tot mijn grote opluchting mag ik van opvoedkundigen best eens daarommen.

Op weg naar huis plukt Hylke een bloem uit de tuin van de buren.

‘Aaaaah Hylke. Waarom doe je dat nou?!’

Pauze.

‘Dáárom.’

Tja. Terecht.

Bron bij deze column: http://www.opvoedadvies.nl/waarom.htm