‘Hoe was het op school?’

Tijdloos zijn ze, die gesprekken over de dag. Iedereen herinnert zich nog wel dé vraag van vader, moeder of ander groot mens. Met standaard antwoord: ‘goed’. Want weet jij veel? Er is zóveel gebeurd en dan moet je alles in één keer maar reproduceren?

Begrijpelijkerwijs wil je als ouder weten wat je kind zo’n hele dag ‘uitspookt’. Hoe peuter je die informatie bij hem los, zonder te overvragen? Nou, bijvoorbeeld zo.

‘Hoe was het op school?’

‘Goed.’

‘Heb je nog in de kring gezeten?’

‘Ja.’

‘Oh leuk. Naast wie zat je?’

‘Weet ik niet meer.’

‘Hm. Wat vertelde de juf in de kring?’

‘Weet ik niet meer!’

‘Oh nou ja, weet je nog wel welk liedje jullie…’

‘Mem! Je moet stoppen met praten!’

Ben ik hem nou echt aan het overvragen? Ja, letterlijk dus.

Tja, bij het nalezen van bovenstaande interrogatie begrijp ik Hylkes ergernis wel. Als ik thuis kom van een dag werken wil ik ook alle gebeurtenissen even laten bezinken. Elk mens is een ander soort ‘communicator’ met zijn eigen gebruiksaanwijzing. De één wil direct alles vertellen, de ander laat brokjes ervaringen los wanneer hij er zelf aan toe is.

Vragen zijn verrekte handig – en soms noodzakelijk – om informatie van de ander los te peuteren. Maar een teveel aan vragen kan enorm belemmeren.

Ineens denk ik aan een meisje dat logopedie krijgt in mijn praktijk. Samen met haar ouders help ik haar om zich duidelijk te maken. Of dat nou met woorden is, met wijzen of met expressie.

Onbedoeld vuurt de moeder van het meisje een stel vragen op haar af.

‘Waar is de lepel?’

‘Hoe heet dit?’

‘Welke kleur heeft de appel?’

Na een paar haperende, korte antwoorden slaat het meisje volledig dicht.

Na een aanwijzing wacht de moeder met praten tot het meisje zélf initiatief neemt. Met als gevolg een verschil van dag en nacht. Kind communiceert, moeder luistert en reageert. Een gesprek op gelijk niveau.

Terug naar Hylke. Als ik na ons zoveelste naschoolse evaluatiegesprek in de gaten krijg wat voor pain-in-the-ass ik ben, besluit ik het over een andere boeg te gooien.

Mem: ‘Zo, dat zag er lekker uit zeg, dat worstenbroodje.’

Hylke: ‘Ja hè, jij was wel een beetje jaloers!’

Mem: ‘Absoluut. Oh en ik was ook wel jaloers op die jongen in jouw klas. Die had een mooie beker en een zwemdiploma!’

Hylke: ‘Oooh dat was zó’n mooie beker… Die is van Max.’

Mem: ‘Ah. Max heeft vast verteld hoe hij die beker had gekregen.’

Hylke: ‘Van z’n oma.’

Toegegeven, dit herformuleren kost aardig wat denkwerk. Maar hoe verloopt het gesprek vervolgens? Ik kan alleen maar zeggen: ‘goed’.