‘Ik ben de broer van Brecht. Als ik de zus van Brecht zou zijn, dan was Brecht de broer van mij.’​

Het zijn van die onverwachte kinderhersenspinsels die ons ouders doen beseffen: hij is bijna vier en klaar voor school. En alsof kinderen het weten rijmen ze dan ineens dat het een lieve lust is en wordt er ogenschijnlijk vanuit het niets geweldig geknutseld met taal. Is dat nou toevallig? Nee hoor. Sterker nog: het is niet voor niets dat peuters juist nu toe zijn aan een volgende stap.

Om de laatste martelende meters van onze kerstwandeling door te komen, hebben we een spel bedacht: rijmwoorden zoeken. Sinds een paar weken heeft Hylke de smaak te pakken. Hij merkt uit zichzelf op wanneer woorden rijmen.

En al klopt het soms niet (‘Scheen… Veer… Hee! Dat rijmt!’ Eh… nee.), hij kan vaak vanuit het niets de mooiste rijmwoorden roepen.

‘Knakworst!’ klonk het laatst trefzeker uit Hylkes kamer na het opvangen van het woord ‘Staphorst’. Een (onbedoeld?) ingenieus staaltje dichtkunst.

Nog een halve kilometer te gaan, dus we gooien er nog maar eens een woord in.

‘Wat rijmt er op goed?’

‘Hoed!’

‘En op want?’

‘Hand!’

‘Ja! En op… boot?’

‘Hoot!’ Tja, ik merk maar weer eens dat de ‘H van Hylke’ flink is vertegenwoordigd.

Alsof hij zichzelf voorbereidt op zijn naderende start op de basisschool, speelt Hylke non-stop met taal. Komt mooi uit dus dat juist rond de tijd dat kinderen vier jaar worden het metalinguïstisch bewustzijn de kop opsteekt. Ze doen, anders gezegd, ontdekkingen over taal.

Ik zie het graag zo voor me: een kind zweeft op ontdekkingstocht boven een brei aan woorden. En ontdekt daarin spelenderwijs verbanden of verschillen.

Het één heeft natuurlijk met het ander te maken. Hylkes belevingswereld wordt groter: hij speelt meer samen met leeftijdsgenoten en ontwikkelt interesses. Daar komt bij dat hij zich steeds beter kan inleven in anderen (boos, druk, jaloers). Hij ziet verschillen en overeenkomsten (gevaarlijk – ongevaarlijk, ver weg – dichtbij, aardig – stom) en krijgt bovendien meer besef van tijd (gisteren, straks, volgend jaar). Dit bewustzijn van mensen, dingen en gebeurtenissen moet worden uitgedrukt in taal. En die taal wordt almaar abstracter.

Je kan Hylke soms bijna letterlijk vanuit een helikoptertje naar een situatie zien kijken.

Zo hoorden we laatst vanaf de achterbank in de auto deze overpeinzing: ‘Ik ben de broer van Brecht. Als ik de zus van Brecht zou zijn, dan was Brecht de broer van mij.’

Het begint ons te dagen dat de peuter hier eindigt en de kleuter begint.

Over rijmwoorden gesproken. ‘Hij is er echt aan toe,’ hoor je ouders vaak verzuchten over hun bijna-basisschoolkinderen. Nou, dat kan wel eens kloppen.

Zonder kleerscheuren eindigen we de kerstwandeling bij het huis van opa en oma. ‘Ik heb trek,’ zegt Hylke. ‘Met de T van Takkie.’


Bronnen bij deze column: Expertisecentrum Nederlands en De taalontwikkeling van het kind, A.M. Schaerlaekens (maart 2016)