De avonturen van Pakot en Zorijn

Haaspaas, takboom, Monsterkoekje, salagne… Onze kleine taalkunstenaars husselen woorden en klanken tot de mooiste creaties ontstaan. Hoe komt dat toch? Een verklaring van dit fenomeen aan de hand van twee hardnekkige omdraaiwoorden uit Hylkes repertoire.

Veel ouders zuchten weemoedig als ik zeg dat Hylke met zijn drie-en-een-half jaar nog slaapt tussen de middag. Steeds korter weliswaar, maar hij heeft het echt nodig. Bijvoorbeeld om hem in een vrolijke bui het einde van de dag te laten halen.

Na het slapen drinken we standaard een kopje thee met ‘iets erbij’.

‘Mag ik zorijntjes?’ vraagt Hylke met volle overtuiging.

Ik pak een doosje uit de pot. Ik hoor het al niet eens meer. Sinds rozijntjes in zijn productieve woordenschat is opgenomen, draait Hylke consequent de eerste klanken van de lettergrepen om. En echt alleen bij dit woord. Onee wacht…

 

‘Mèhèèèm, ’t doosje is pakot, mag ik een nieuwe?’

Pakot en Zorijn. Twee essentiële woorden in de kindertaal. Op de lijst van verantwoord snoep staat de rozijn immers al jaren op nummer één en, tja, rondom een dreumes of peuter gaat er nog al eens iets kapot.

Waarom, waarom worden de klanken in juist déze woorden omgedraaid?

Het zit ‘m vast in de klemtoon. Die ligt bij kaPOT en roZIJN op de laatste lettergreep. De eerste woorden die kinderen zeggen zijn vaak één-lettergrepige woorden. Al gauw volgen woorden met twee lettergrepen.

Kinderen hebben een zekere voorkeur voor een klemtoon op de eerste lettergreep – BOEKje, ZEbra, BAby, DRINken – want die hoor je in het Nederlands verreweg het meest.

Wat betekent dat voor woorden met een klemtoon op de laatste lettergreep? KoNIJN, paTAT, kaPOT, roZIJN. Die worden ingekort. Nijn, tat, pot, zijn. Vaak zetten jonge kinderen er ook nog een extra lettergreep achteraan, zodat het weer ‘klopt’: nijnie, tatte, potte, zijne.

De klemtoon verklaart Pakot en Zorijn niet volledig, want andere woorden met een klemtoon op de tweede lettergreep (parDON, geZEUR, beLEG) gaan goed. En waarom draait Hylke de klanken om? Misschien vindt hij de volgorde P-K van Pakot makkelijker uit te spreken dan K-P van kapot. In combinatie met die klemtoon. En zo ook de Z-R van Zorijn.

Is er dan geen enkel ander woord dat ook verdraaid wordt, precies op dezelfde manier? De goedheiligman geeft het antwoord. Hoewel deze nog een kleine twee weken op z’n stoomboot doorbrengt, staan bij ons de 5 decemberhits al op één, inclusief… Sinterklaas Pakoentje.


Bronnen bij deze column: http://taalexpert.nl/fonologie.aspx?dataId=71

Klankproductieproblemen, een fonologische benadering. Artikel van M. Beers in Stem-, Spraak- en Taalpathologie, vol.11, nr.4 (2003)

Kinderfonologie, de verwerving van klemtoon. Proefschrift van P. Fikkert (1996)

Let it B

Hoera, de eerste woordjes zijn een feit! Elke dag lijken er nieuwe bij te komen. Erg gevarieerd in uitspraak zijn de woorden nog niet. Welke klanken gebruiken kinderen in dit eerste stadium? En waarom nou juist deze?

‘Beebieie!’ Brecht sleurt haar pop aan een been naar het andere eind van de kamer.

‘Poep!’ constateert ze wanneer de luier af gaat.

Ze wijst naar een doekje. ‘Bappe.’ Pakken.

IJverig veegt ze de billen van de baby schoon. Ze legt de pop nog net niet zelf in de poppenwagen, maar als ik zeg ‘zo, de baby gaat slapen…’ bevestigt Brecht het onmiddellijk: ‘baapûh’. Ze maakt het gebaar met de hand naast het gezicht.

Het resultaat van drie volle dagen per week op een babygroep.

Beebie, poep, bappe, baapûh… Wat is van deze eerste woordjes de gemene deler?

Allemaal bevatten ze medeklinkers die met de lippen worden gemaakt, de zogenoemde (bi) labiale klanken. B. P. Een korte klank, als een zacht plofje. Voorin de mond. Eerste woordjes of betekenisvolle brabbels zullen meestal gemaakt zijn van zo’n plofklank, in combinatie met een A.

Niet lang daarna volgt de M, en dan de T. Of klanken met gelijke kenmerken. Overspoeld met het Sinterklaasjournaal heeft Brecht nu Piet en Hi-taase in haar repertoire. En rond zessen wordt luidkeels ‘ee-te, ee-te!’ gescandeerd. Steeds meer T’s dus.

Voilà! Technisch gezien kan papa dus eerder worden uitgesproken dan mama.

Ho, wacht! Voordat alle papa’s zich op de borst kloppen, twee kanttekeningen. Eén: er zijn uitzonderingen. Twee: baby’s kunnen mama bedoelen maar papa zeggen. Omdat ze in hun verwervingsproces nog bij de P zijn blijven ‘steken’.

Brecht bewandelt -als halve Friezin – met heit en mem een iets andere weg.

Waar ze maanden geleden toevallig het woordje mem liet vallen en ik mijn vlag al had geplant, verdween het net zo snel als het gekomen was.

Nu is het heit voor en heit na.

Ik heb lang gedacht dat baby’s beginnen met labialen B, P, M omdat die klanken nou eenmaal goed te zien zijn bij mensen die boven hun wieg hangen. Maar blinde baby’s dan? Beginnen die met andere woordjes? Nee. Blinde baby’s praten vaak later, maar ze léren praten volgens dezelfde stappen als baby’s die zien.

Sterker nog, alle baby’s ter wereld doorlopen dezelfde stappen bij het verwerven van de eerste klanken.

Waarschijnlijk komen de lipklanken voort uit het oefenen met de mond en met geluiden. Babawatataba… Zoals bij de allereerste brabbels. En bij de eerste woorden komen al die B’s, P’s en T’s weer langs, alleen dan gestructureerd.

Het zal Brecht allemaal een worst wezen. Zolang ze maar begrepen wordt. En als dat met woorden niet lukt, kan ze altijd nog terugvallen op haar temperamentvolle karakter:

‘Ee-te!!’


Bronnen bij deze column:

Klankproductieproblemen, een fonologische benadering. Artikel van M. Beers in Stem-, Spraak- en Taalpathologie, vol.11, nr.4 (2003)

De taalontwikkeling van het kind, A.M. Schaerlaekens (maart 2016)

https://www.degruyter.com/downloadpdf/j/plc.2011.15.issue-1/v10057-011-0002-4/v10057-011-0002-4.pdf