‘Ga maar zwaaien!’

En dan is daar eindelijk een gebaar dat je herkent: de baby zwaait en jij weet wat ze bedoelt! Nu is het communiceren écht begonnen! Dat trucje moet ze natuurlijk nog eens laten zien. En nog eens. En nóg eens. Maar wat vindt die baby daar zelf nu eigenlijk van? 

Sinds een paar maanden staat de zwaaiknop aan bij Brecht. Er zijn al verschillende varianten langsgekomen. Het verticale-aszwaaien, als een deftige koningin. Op-en-neerzwaaien, alsof de hand een buiging maakt. En gewoon heen-en-weerzwaaien natuurlijk.

Inmiddels heeft Brecht een duidelijk ‘dà!’ aan de handbeweging gekoppeld.

Maar in den beginne was daar slechts het gebaar: het zwaaien.

Sindsdien wuift ze koninklijk naar alles en iedereen.

Ik graaf wat in mijn geheugen en kan me geen andere gebaren bedenken die Brecht zo duidelijk tentoonspreidt. Ik kan me zelfs geen enkel kind in mijn naaste omgeving bedenken dat andere gebaren eerder beheerste dan zwaaien.

Na wat googelen lees ik de volgende zin: vanaf een maand of 8 gaat de baby opzettelijk communiceren. Hoewel dit klinkt als de baby laat opzettelijk haar moeder struikelenbetekent het wel degelijk iets positiefs. Dus Brecht communiceert niet meer alleen vanuit een reflex, zoals pasgeboren baby’s huilen als ze moe zijn of honger hebben.

Ze communiceert nu bewust, wetend dat ze iets gedaan kan krijgen. Of als reactie op wat ze hoort en ziet in haar omgeving.

Na deze ‘ontdekking’ bekeek ik de begroetings- en afscheidsrituelen vanuit Brechts perspectief. Ze moet echt GEK geworden zijn van de zin ga maar zwaaien. Zo gaat het bijvoorbeeld op de crèche:

Ik, namens Brecht, naar leidster: ‘Dááág!’

Leidster: ‘Dááág, Brecht, dá-hááág!’

Brecht: …

Ik: ‘Dááág! Ga maar zwaaien. Zo ja. Zwaaien. Dááág!’

Brecht zwaait, enigszins vertwijfeld.

Leidster en ik: ‘Jaaaaaa, ga maar zwaaien… dá-hááág!’

Op weg naar huis hangt Brecht vermoeid over het stuur. Niet zo vreemd: het kwartje zwaaien is bij haar al veel eerder gevallen.

Ik voel me bijna schuldig dat ik haar maandenlang heb geterroriseerd met mijn gezwaai.

Tegelijk is al dat herhalen ook de reden dat ze het nu kán. Kinderen leggen verbanden tussen gebaren, woorden en handelingen. Bij schouders ophalen (waar?) is er iets kwijt. En als je wijst (daar!), kan de ander iets vinden. Loop je de deur uit? Ga maar zwaaien.

Hoe goedbedoeld ook, wij blijven ze overspoelen met woorden die ze allang hebben opgeslagen. Is dat erg? Valt ook wel weer mee. Brecht zal zich over een tijdje niet meer mijn overdreven gezwaai herinneren. De woorden, die bij het gebaar horen, díe beklijven.

De input is geleverd en ziedaar: het praten kan beginnen.

Al jarenlang duikt Jente Timmer bijna dagelijks in een bak vol gevarieerde kindertaal, als logopedist. Inmiddels scharrelen thuis haar eigen onderzoeksobjecten rond: Hylke en Brecht, die Fries- en Nederlandstalig worden opgevoed.

Iedere twee weken neemt Jente een curieus verschijnsel uit de kindertaal onder de loep. Ervaringen, vragen of suggesties: jente@meertaalpraktijk.nl

Bron bij deze column: www.kindentaal.nl

Waarom? Waarom?! Waarom?!!!!

Het zal ouders van peuters maar al te bekend voorkomen: de waarom-fase. Ze drijven ons tot het uiterste; we pulken de antwoorden uit de verste hoekjes van ons brein. Waarom wordt dit soms zo ergerlijke woord vaak gebruikt? En hoe goed of fout is daarom?

Jammer dat het altijd uit het niets komt opduiken. Je kunt je er niet op voorbereiden. Laatst weer. We lopen in de stralende zon naar de bakker, Hylke op de loopfiets, Brecht in de wandelwagen. Iedereen heeft goede zin.

‘Jaaaa, de bakker is open!’ roep ik bij het ontwaren van de winkel. Wat natuurlijk nergens op slaat, want dat wisten we allemaal al. Misschien ging het hier al wel mis.

‘W’rom?’ Daar is ie. Waarom. Hylke stelt deze vraag zo vaak dat hij het teveel moeite vindt het héle woord uit te spreken. Wrom, wrommm… het lijkt een startende motor.  Startend ja, want er komt nog veel meer.

‘Nou…’ Met mijn antwoord kan ik meerdere wegen inslaan. Ik kies deze: ‘Omdat hij dan brood kan verkopen aan mensen.’

‘W’rom?’

‘Omdat mensen brood willen eten.’

‘W’rom?’ Het wordt nu spannend.

‘Tja… Omdat ze brood lekker vinden.’

‘Maar: WÁÁRom?’ Oef. Standaard probeer ik deze fase in het waaromgesprek te vermijden. Maar nu komt het erop neer dat meneer niet tevreden is met de antwoorden die hij krijgt.

De ontknoping nadert. Wie wint?

‘EHMMMM.’ Een lange pauze volgt. Een verwachtingsvolle blik van Hylke. Erg uitdagend ook, vind ik. Alsof hij wil zeggen: ‘Eens kijken of je nú nog met een bevredigende verklaring kan komen, mem.’

Wat volgt, is het minst inspirerende antwoord ooit.

‘Dáárom,’ verzucht ik, uiterst teleurgesteld in de creatieve mogelijkheden van mijn brein.

Opvallend, en enigszins ergerlijk, is de routine waarmee dit waaromgedrocht wordt ingezet. Als Hylke nu kwijlend van interesse mijn natuurkundige, existentiële antwoorden zou opslurpen, ging ik met alle liefde deze competitie aan. Maar waarom lijkt een geautomatiseerd mechanisme, dat pas stopt na ultieme voldoening.

Gelukkig weten we dat het waarommen – meestal – niet bedoeld is als pestgedrag, maar als leerproces. Peuters leren gedachten om te zetten in vragen. Ze vergaren steeds meer kennis van de wereld om hen heen door de antwoorden die ze krijgen. Niet van daarom, natuurlijk, al kan dat soms niet anders. Bij een routinematig, ongeïnteresseerd waarom is het juíst goed de eindeloze vraagstroom te onderbreken. Het aandacht vragen bij ouders staat dan boven kennisverrijking.

Tot mijn grote opluchting mag ik van opvoedkundigen best eens daarommen.

Op weg naar huis plukt Hylke een bloem uit de tuin van de buren.

‘Aaaaah Hylke. Waarom doe je dat nou?!’

Pauze.

‘Dáárom.’

Tja. Terecht.

Bron bij deze column: http://www.opvoedadvies.nl/waarom.htm